Wet- en regelgeving

Wet- en regelgeving kennen we op verschillende niveaus. Namelijk:  

Internationale wet- of regelgeving

Mondiale verdragen en protocollen
Op mondiaal niveau wordt klimaatbeleid gevoerd om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Dit beleid moet uiteindelijk leiden tot een significante vermindering van broeikasgassen in de atmosfeer, waardoor het broeikaseffect een halt wordt toegeroepen. Wat zijn de belangrijkste verdragen:

  • Het klimaatverdrag van de Verenigde Naties uit 1992 had ten doel om de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren, veroorzaakt door menselijk handelen. Dit eerste mondiale klimaatverdrag trad in werking op 21 maart 1994.
  • Op basis van het klimaatverdrag van de VN is in 1997 het Kyotoprotocol ontwikkeld en in 2012 de Klimaatconferentie in Rio de Janeiro gehouden. Het Kyotoprotocol was een eerste aanzet richting concrete afspraken rond de reducties van mondiale emissies van broeikasgassen.
  • Greenhouse Gas Protocol (GHG): Het Greenhouse Gas Protocol, ontwikkeld door het World Resources Institute (WRI) en het World Business Council on Sustainable Development (WBCSD), heeft een mondiale standard vastgesteld voor het meten, mana-gen en rapporteren van broeikasgassen. Onderdeel van het protocol is de scopebenadering:

 

In 2015 hebben alle afgelopen verdragen geresulteerd in het bekende Klimaatverdrag van Parijs (COP2015), dat nagenoeg alle wereldleiders hebben ondertekend. Met name dit laatste verdrag is leidend voor de Nederlandse wetgeving ten aanzien van het terugdringen van broeikasgassen.

  • Mondiale verdragen en protocollen: klimaatverdrag van Parijs
  • Internationale (certificatie-) normen: ISO 50001
  • Europese richtlijnen (= wetgeving): European Efficiency Directive (EED) 
(Inter)nationale (certificatie-) normen                                                                                         

Nederlandse Normalisatie instituut (NEN) begeleidt en stimuleert de ontwikkeling van normen. Normen zijn afspraken die marktpartijen vrijwillig met elkaar maken over de kwaliteit en veiligheid van hun producten, diensten en processen. Als neutrale partij inventariseert NEN aan welke normen behoefte is en brengt de organisatie belanghebbenden bij elkaar om deze normen te financieren en ontwikkelen. Dat doet NEN zowel binnen sectoren als op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Daarnaast beheert en publiceert NEN internationale normen, zoals Europese EN-normen, of op wereldschaal de bekende ISO-standaarden. Welke energienormen zijn voor onze sector beschikbaar:

  • Energie RI&E Creatieve Industrie: de Energie RI&E Creatieve Industrie is een door de overheid erkende meetmethodiek, waarmee organisaties binnen deze sector op een gestructureerde wijze een energie-analyse kunnen uitvoeren en hun energiemonitroing kunnen opzetten. Desgewenst kan een bedrijf de Energie RI&E laten certificeren.
  • ClimateCalc: teneinde de kwaliteit van Carbon Foot-printberekeningen op niveau te houden, zijn hiervoor specifieke ISO-normen gedefinieerd, te weten: ISO 14064-1:2006 (Broeikasgassen - Deel 1: Specificatie met richtlijnen voor kwantificering en verslaggeving van broeikasgasemissies en -verwijdering op bedrijfsniveau), ISO 14067:2013 (voor CO2-voetafdruk-berekeningen voor producten) en de ISO 12759:2013 (Graphic technology: quantification and communication for calculating the carbon footprint of print media products). Daarnaast geldt het Green House Gas protocol als mondiale norm.
  • ISO 50001 is de internationale norm voor een energiemanagementsysteem (gepubliceerd in 2011). De norm richt zich specifiek op het terugdringen van het energieverbruik van een organisatie. Dit op basis van een gedetailleerd inzicht in het energieverbruik en het gebruik ervan.
Europese richtlijnen (= wetgeving)

Richtlijnen bevatten doelstellingen waar alle lidstaten van de Europese Unie zich aan moeten houden. Het beoogde resultaat staat vast, maar hoe een lidstaat daar aan wil voldoet, mogen zij zelf invullen. Zij mogen zelf bepalen hoe ze de richtlijnen uitwerken, zodat ze rekening kunnen houden met de specifieke situatie in hun eigen land. Een van de bekendste richtlijnen is de European Energy Efficiency Directive (EED). Deze Europese richtlijn beschrijft o.a. dat Europa in 2020 20% minder energie moeten verbruiken.

De meeste bedrijven uit onze sector zullen niet direct met de EED te maken hebben, maar krijgen via het Activiteitenbesluit speciale energiespelregels voorgelegd. Maar voor een aantal grote bedrijven gelden wel degelijk speciale EED-verplichtingen. Namelijk de energie-audit en de kosten-batenanalyse.

Energie-audit

De energie-audit is een vierjaarlijkse aanpak en heeft als doel om informatie te verzamelen over het actuele energieverbruik van een bedrijf of groep van bedrijven. Er zijn een aantal criteria die vastgesteld zijn wanneer een onderneming onder de energie-audit verplichting valt. De verplichtingen is van toepassing op:

  • onderneming met meer dan 250 fte (inclusief deelnemingen van of in partnerondernemingen en verbonden ondernemingen)
  • of een jaaromzet van €50 miljoen of meer én een jaarlijkse balanstotaal van meer dan €43 miljoen (inclusief deelnemingen van of in partnerondernemingen en verbonden ondernemingen).

Een energie-audit bestaat uit:

  • een schematisch overzicht van alle bestaande energiestromen (inclusief vervoer);
  • een beschrijving van de belangrijkste factoren die het energieverbruik beïnvloeden;
  • een gekwantificeerd overzicht van het energiebesparingspotentieel van de onderneming voor de komende 4 jaar;
  • een beschrijving van mogelijke kosteneffectieve energiebesparingsmaatregelen.
Kosten-batenanalyse

EED richtlijn (Artikel 14) vraagt bedrijven om een kosten-batenanalyse uit te voeren van een geplande situatie in vergelijking met HR-WKK en de aansluiting op een warmte- of koudenet.  Deze verplichting geldt voor nieuwe of ingrijpend te renoveren industriële installaties met een totaal thermisch inputvermogen van meer dan 20 MW en bij een nieuw of ingrijpend te renoveren stadsverwarmings- of koelingsnetwerk.

 

Nationale wet- of regelgeving (rijksoverheid en kennisinstituten)

Nationale wetten en ministeriele besluiten

Tijdens de uitvoering van Europese regels en wetten spelen de lidstaten een belangrijke rol. De Europese wetgeving moet immers worden ingevoerd in de lidstaten. Sommige regels zijn direct van kracht en andere moeten worden omgezet in nationale wetten. Belangrijk om te weten is dat Europese regelgeving altijd boven nationale wetgeving staat. Het nationale parlement heeft invloed op de manier waarop Europese wet- en regelgeving wordt ingevoerd of vertaald naar Nederlandse wet- en regelgeving. De kaders hierbij zijn wel vooraf bepaald in de EU. Zo geldt in Nederland het Activiteitenbesluit (officiële term: Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer), welke regels stelt aan bedrijven. Een groot aantal bedrijven dat onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt, heeft geen milieuvergunning nodig. Per 1 januari 2017 heeft het milieuaspect ‘energie’ een belangrijke positie ingenomen binnen deze AMvB. Van bedrijven mag nu geëist worden dat zij een energieonderzoek uitvoeren en een Energie BesparingsPlan bijhouden, teneinde te kunnen aantonen dat het bedrijf planmatig aan energiereductie werkt en daarmee voldoet aan de wet (Wet Milieubeheer).

Handhaving in Nederland is conform Wet Milieubeheer. In het najaar van 2015 is de milieuwetgeving aangepast. Bedrijven waren al verplicht om energiemaatregelen te nemen waarvan de investering zich binnen vijf jaar kunnen terugverdienen. De uitvoering van deze verplichting is nu vertaald in maatregelen die concreet zijn toe te passen: de Erkende Maatregelen Lijst (EML). 

De zorgplicht is opgenomen in het Activiteitenbesluit onder Afdeling 2.1 Zorgplicht. Op basis van het Activiteitenbesluit is een energiebesparingsverplichting van toepassing (artikel 2.15).

Of een inrichting onder de werkingssfeer van de energiebesparingsverplichting valt (artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit) is afhankelijk van een aantal factoren:

  • Het type inrichting (type A of type B inrichting) en
  • Het energieverbruik (kleine, middelgrote- of grootverbruiker) 

Uitzondering van de werkingssfeer van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit geldt voor ETS-bedrijven, deelnemers aan het CO2-vereveningssysteem en MJA3-bedrijven. 

Type inrichting

Binnen het Activiteitenbesluit is er onderscheid gemaakt in drie typen inrichting. Namelijk: type A-, type B- en type C-bedrijven. Voor type A- en type B-bedrijven geldt dat er geen vergunningsplicht bestaat. Voor een Type C-bedrijf is dat echter anders. Voor deze (vaak grote en complexe) bedrijven geldt nog steeds de vergunningsplicht, waarin specifieke voorschriften zijn opgenomen voor energiebesparing.

Het maakt dus niet meer uit of je onder het Activiteitenbesluit valt of een milieuvergunning moet hebben. Elk bedrijf in Nederland moet aantoonbaar aan energiebesparingen werken. 

Indeling Energieverbruik

Het Activiteitenbesluit hanteert een driedeling van energieverbruik.

Nationale richtlijnen en normen

Nederland heeft op 6 september 2013 een belangrijke stap gezet op weg naar een schone toekomst door het tekenen van het SER Energieakkoord voor duurzame groei. Kern van het akkoord zijn breed gedragen afspraken over energiebesparing, schone technologie en klimaatbeleid. Uitvoering van de afspraken moet resulteren in een betaalbare en schone energievoorziening, werkgelegenheid en kansen voor Nederland in de schone technologiemarkten. Voor de grafische sector is sinds 1 januari 2018 een Erkende Maatregelen Lijst (EML) van kracht, die door bedrijven uitgevoerd moeten worden. Hetzelfde geldt voor de zogenaamde BDO-maatregelen. 

Door het Energieakkoord zijn verschillende pakketten met erkende maatregelen voor energiebesparing formeel aangewezen. Sinds 1 december 2015 zijn de erkende maatregelen opgenomen in de bijlage van de Activiteitenregeling bij het Activiteitenbesluit.

De erkende maatregelen voor energiebesparing hebben tot doel om op een eenvoudige en praktische manier energiebesparing te bereiken. De erkende maatregelenlijst is in samenwerking tussen vertegenwoordigers van het bevoegd gezag, de omgevingsdiensten en koepel- en brancheorganisaties tot stand gekomen. De maatregelenlijsten gelden per sector. Als alle maatregelen uit de lijst worden getroffen en deze maatregelen goed beheert en onderhouden zijn, dan voldoet het bedrijf aan artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit. De erkende maatregelen zijn meestal gekoppeld aan activiteiten, met dezelfde indeling als in het Activiteitenbesluit. 

Convenanten

Een convenant is een bepaald soort overeenkomst. Overheid, bedrijfsleven en instellingen hebben door middel van het convenant Meerjarenafspraak energie-efficiency (MJA) gewerkt aan energiebesparing. De Meerjarenafspraak energie-efficiency (MJA) is een vrijwillige, maar niet vrijblijvende, afspraak tussen overheid, bedrijfsleven en instellingen om energie-efficiency terug te dringen. Vanaf 1989 zijn drie convenanten gesloten: MJA1 tot en met MJA3. De laatste convenant, MJA3, loopt namelijk tot 2020.

In 2012 traden de grafische bedrijven toe tot MJA3 de meerjarenafspraak energie. Niet met een eigen MJA maar vallend onder de vlag ‘Overige Industrie’. Er is geen MJA3 specifiek voor de grafische bedrijfstak tot stand gekomen omdat niet voldaan kon worden aan de dekkingsgraadeis voor de branche van 80%. Daarom zijn de deelnemende grafische bedrijven ingedeeld bij de groep ‘Overige Industrie’. 

Lokale wet- of regelgeving (provinciaal of lokaal) 

Provinciale besluiten/ initiatieven

Om te voldoen aan de doelen uit het klimaatakkoord van Parijs kunnen er op provinciaal of lokaal niveau verschillende initiatieven tot stand komen, waarbij er tussen verschillende partijen een samenwerking tot stand komt om de realisatie van de doelstellingen haalbaar te maken. Initiatieven kunnen uiteenlopen van het collectief aansluiten van zonnepanelen tot een energie neutrale wijk.

Op het ogenblik zijn met name de provincies Gelderland, Overijssel en Drenthe actief met het ondersteunen van sectorale initiatieven om MKB-bedrijven te helpen bij het uitvoeren van een energie-analyse en het opstellen van een Energie BesparingsPlan. Informeer naar de mogelijkheid van de initiatieven bij uw provincie. 

Externe stakeholdersbelangen

Stakeholders zijn groepen of individuen waar bedrijven in het kader van hun beleid aandacht aan moeten besteden. Zo kunnen stakeholders toezichthouders, overheid, maatschappelijke organisaties en belangenorganisaties zijn. Door de invloed die sommige belanghebbenden kunnen uitoefenen op uw onderneming, is het belangrijk om hier rekening meer te houden. De invloed kan zowel positief (kans) als negatief (bedreiging) zijn. Daarom is het van belang om voor uw onderneming in kaart te brengen welke stakeholders voor uw bedrijf relevant zijn en wat hun verwachtingen zijn ten aanzien van het onderwerp energie. 

Intern holdingbeleid 

Indien uw bedrijf valt onder een groep van bedrijven met een apart holdingbeleid, betekent dit dat u uw duurzaamheidsdoelstellingen en –acties moet afstemmen op de verwachtingen, richtlijnen en/ of normen van het holdingbestuur. In sommige gevallen gaat het holdingbeleid verder dan uw gewenste verbeteracties. Maar het komt vaker voor dat uw ambities hoger liggen, dan het holdingbestuur voor ogen heeft. In dat geval kan er een conflicterende situatie ontstaan.